lyrics
Hij ziet door de bomen het bos niet meer,
Maar loopt wel met zijn hoofd tegen de muur keer op keer.
De kat kijkt toe, de muis is van huis,
En iemand vaart wel bij die chaos thuis.
Twee vliegen in één klap, wat een talent,
Maar wel de plank misslaan, zoals iedereen ‘m kent.
De aap komt uit de mouw, verrassing erbij,
En de klok en de klepel? Die zijn nooit zo dichtbij.
We gooien met spreekwoorden, links en rechts,
Van boter op je hoofd tot een brug die je echt
Pas ziet als je ‘m over moet, zing maar mee,
Spreekwoorden overal — je komt er niet omheen, o nee!
Een gegeven paard kijk je niet in de bek,
Maar je moet wel op je tellen, anders ben je zo weg.
Wie z’n billen brandt, zit op de blaren,
Maar ach, dat hoort bij al die levenslessen en gevaren
De vroege vogel is moe en te laat,
De kat van huis en de muis op straat.
Het kwartje valt, maar rolt meteen weg,
Wie A zegt zegt B — ik zeg liever “pech”.
Het regent pijpenstelen, ik neem een bad,
Al draagt een aap een bril, hij blijft een gekke knar.
Beter één vogel in de hand, zegt men met zucht,
Ik laat ’m vliegen — dat scheelt weer lucht.