In Ei-berg-en verblijf ik thans, Verlost van arbeid, klok en kans! Mijn handen zwart van aarde en zweet, Mijn ziel verlangt naar koolsla slechts en beet!
Tweehonderd meter leek mij groot, Een paradijs, een rijke schoot! O kleine tuin, mijn eerste pracht, Gij hebt mijn oude hart weer zacht gemaakt!
Hij begon zo klein, zo fijn, zo braaf… Maar nu graaft hij verder dan het kerkepad af!
Nog een lap! Nog een rij! Waar eindigt Twan zijn boerderij?!
“Ach! Ik heb tijd! Waarom zou ik begrenzen wat groeien wil?”
Van perk naar park! Van hof naar land! Zijn tuin verspreidt zich Over heel de rand!
O glorieuze pompoen! Oranje titan! Gij zijt geen vrucht meer— Gij zijt een levensplan!
Met mest! Met liefde! Met zon en met maan! Zal heel de streek straks Voor uw grootte beven gaan!
KOOR DER BUREN (geschokt)
Is dat nog groente?! Is dat natuur?! Dat ding verdient Een eigen infrastructuur!
Een kind aanschouwde het en sprak: “Papa… beweegt die planeet daar zacht?”
Voed mij, Twano… voed mij meer…
Mijn kampioen! Mijn groenteheer!
Groei! Groei! Tot aan de hemelboog! Dat heel Eibergen versteld omhoog!
O Twan! O Twan! Tuinkampioen! Heerser der bonen! Vader der pompoen!
Uw tuin werd groter Dan rede verdragen kan! Weldra verschijnt heel Nederland Op úw moestuinplan!
“Hoe groot kan een tuin werkelijk zijn? Slechts één meter kleiner… dan mijn droom!”